Luiers per dag

Leidsters

Nieuws

Kansarme peuters weg uit opvang door harmonisatie?

De kinderopvangbranche is bang voor het vertrek van kansarme kinderen uit peuterspeelzalen, als gevolg van de harmonisatie. De nieuwe wet zou voor de ouders van deze kinderen té ingewikkeld zijn en gaat hen mogelijk ook meer geld kosten.

Bron: iStock

Alle Nederlandse peuterspeelzalen moeten per 1 januari 2018 zijn omgevormd tot kinderdagverblijven, ofwel: geharmoniseerd. De verschillen tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk verdwijnen en de kwaliteitseisen worden voor beide voorzieningen gelijk.

Ingewikkeld

Toch deugt er iets niet aan de plannen die in 2018 van kracht gaan, zeggen kinderopvangorganisaties tegen RTL Nieuws. Het wordt ouders zó ingewikkeld gemaakt dat vooral de kinderen die opvang het hardst nodig hebben, zullen afhaken. Magda Heijtel, van Brancheorganisatie Kinderopvang: ‘Dat zijn de kinderen die het nog meer nodig hebben om in hun ontwikkeling gestimuleerd te worden. Hoe vroeger je begint met ontwikkelingsstimulering, hoe beter het is voor later als je volwassen bent.’ Ook Geert de Wit, bestuurslid Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, reageert: ‘Laten we goed in de gaten houden of werkende ouders de toeslag aanvragen en of ze daar hulp bij nodig hebben. Ook wij, als kinderopvangorganisaties, geven die hulp. Het was beter geweest als er gekozen was voor een recht van niet-werkende ouders binnen de WKO. Dat had veel ingewikkelde regeldruk voorkomen zonder dat dat tot extra kosten hoeft te leiden.’

Financiering

Nu worden de peuterspeelzalen deels gefinancierd door de gemeente. Gezinnen met lage inkomens zijn nu per jaar zo’n 254 euro kwijt voor tien uur peuterspeelzaalwerk per week. Ouders met een kind met (taal)achterstand worden vaak gecompenseerd; de gemeente financiert de helft van de ouderlijke bijdrage.

Zelf betalen

Ouders die onder de Wet kinderopvang vallen, betalen de opvang eerst zelf en kunnen dan, afhankelijk van hun inkomen, een gedeelte vergoed krijgen. De Wit: ‘In veruit de meeste gevallen zal de gemeente een voorziening treffen voor ouders die niet onder de Wet kinderopvang vallen (kostwinners of  niet werkende ouders). Die voorziening kan in iedere gemeente anders zijn.’ Ouders moeten, als zij dat al kunnen, het bedrag eerst voorschieten en vervolgens terugvragen. Dat is voor veel ouders te ingewikkeld, stelt de branche. BOinK-voorzitter Gjalt Jellesma: ‘De belastingdienst probeert de taal zo eenvoudig mogelijk te maken, maar die taal is voor veel mensen, zeker als het Nederlands niet je moedertaal is, heel ingewikkeld.’ De Wit: ‘Overigens pleit dit des te meer voor het systeem van directe financiering, dan hoeven ouders (die onder de Wet kinderopvang vallen) alleen maar hun eigen bijdrage te betalen. Het gehele bedrag hoeft ouders dan niet meer af te schrikken.’

Overheid

Ook ouders van kinderen die goed Nederlands spreken, snappen de regels lang niet allemaal, stelt RTL Nieuws. ‘De overheid hoopt dat de ouders hulp vragen als ze in de wirwar van regeltjes de weg niet weten te vinden.’

Bekijk hier het RTL-journaal van afgelopen vrijdag, waarin geopend wordt met dit onderwerp >>>

Bron: Kinderopvang totaal (28-11-2017)

Een prijsverhoging van de kinderopvang, gaat u daar (n)iets van voelen?

Een prijsverhoging van de kinderopvang, gaat u daar (n)iets van voelen?

Sven Weeda , Management

Het is de – wederom enigszins negatieve – berichtgeving van onder meer BOINK (belangenorganisatie kinderopvang) die mij heeft doen besluiten deze blog te schrijven. Als professional werkzaam in de kinderopvangbranche vind ik dat de uitspraken over de prijsverhoging van de kinderopvang – die inhouden dat kinderopvang volgend jaar flink duurder wordt – genuanceerd dienen te worden. In deze blog licht ik toe waarom. Ik kijk nader naar de gemiddelde prijs van de kinderopvang, zet uiteen welke redenen ten grondslag kunnen liggen aan een prijsverhoging en laat u aan de hand van enkele rekenvoorbeelden zien dat ouders niet per definitie de dupe worden van een eventuele prijsverhoging.

Gemiddelde prijzen binnen norm Belastingdienst

Ondanks de Wet IKK (zie hier), is de kinderopvang de laatste jaren voordeliger geworden en is de kwaliteit van de kinderopvang gestegen, mede door betrokkenheid van BOINK. Dat BOINK de nadruk legt op de prijsstijging van uurtarieven na bekendmaking van de nieuwe prijzen voor 2018 door enkele kinderopvanginstellingen, is dan ook ongelukkig te noemen. Het gemiddelde uurtarief dat kinderopvanginstellingen hanteren in 2017 indiceert BOINK op € 7,16. Het maximale uurtarief dat de belastingdienst in 2017 vergoedt, ligt echter op € 7,18. Dat betekent dat – op basis van de indicering van BOINK – geen sprake is van bovengemiddelde prijzen in de kinderopvangbranche. Tel hierbij op dat de Belastingdienst voornemens is het maximale uurtarief dat voor vergoeding in aanmerking komt voor de kinderopvang te verhogen naar € 7,45 en dan is een prijsverhoging in de kinderopvangbranche plots zo vreemd niet meer.

Een terechte prijsverhoging

Dat de prijzen van de kinderopvang jaarlijks fluctueren, is een feit. Echter wordt vaak vergeten dat de kinderopvang op sommige vlakken anders is dan andere branches en op andere vlakken juist precies zo is als andere branches. Ik noem u enkele (vaak vergeten) redenen voor een mogelijke prijsverhoging binnen de kinderopvang:

  • personeelslasten beslaan 65-75% van de omzet en dubbele loonkosten bij ziekte of uitval van personeel is onvoorspelbaar;
  • kosten als huur, voeding, luiers, meubilair en speelgoed stijgen jaarlijks in prijs ten gevolge van inflatie (net als in ieder huishouden);
  • technologische ontwikkelingen zoals apps en andere software dwingen kinderopvanginstellingen tot innovatie en investeringen, maar leiden niet tot een minder arbeidsintensief proces;
  • nieuwe en aangescherpte wetgeving leidt tot een kostenverhoging;
  • aanzienlijke kwaliteitsverbetering van de kinderopvang;

Is er, gezien bovenstaande, eigenlijk wel een gegronde reden om te klagen als kinderopvanginstellingen besluiten de prijzen – niet buitensporig – te verhogen?

Wie betaalt de rekening voor de prijsverhoging?

Hoewel zeker niet alle kinderopvanginstellingen in 2018 hun prijzen zullen verhogen, geldt dat enkele kinderopvanginstellingen hiertoe wel zullen overgaan. Echter, een verhoogd uurtarief brengt niet direct met zich dat ouders dit voelen in hun portemonnee. Een deel van deze prijsverhoging wordt immers opgevangen door de verhoging van het maximale uurtarief waarvoor ouders kinderopvangtoeslag kunnen aanvragen. Tevens geldt dat ouders die hun kinderen momenteel hebben geplaatst bij een kinderopvanginstelling met een hoger uurtarief dan € 7,18, hoogstwaarschijnlijk ook de voorgaande jaren al een uurtarief hadden dat hoger was dan het maximale uurtarief van de belastingdienst. Zij gaan er relatief gezien dus niet extra op achteruit. Daarbij komt dat een prijsverhoging van de eigen ouderbijdrage voor de kinderopvang ook kan ontstaan door andere factoren, zoals een inkomensstijging van ouders (en derhalve een afname van de kinderopvangtoeslag) of overstap naar een ander kinderopvangpakket.

Het is van belang om op te merken dat veel ouders bovendien niets tot zeer weinig van een eventuele prijsverhoging zullen merken en er ten opzichte van voorgaande jaren relatief gezien zelfs op vooruit kunnen gaan. Ter illustratie onderstaand een tabel met een overzicht van de eigen bijdrage voor de kinderopvang door de jaren heen:

 tabel is op basis van 21 uur kinderopvang per week (91 uur per maand)

Uit deze tabel volgt dat – in vergelijking met de tarieven uit 2015 – de eigen bijdrage van de meeste gezinnen juist gedaald is (let op, dit betreft een gemiddelde). Ook onderstaand rekenvoorbeeld toont dat een prijsverhoging van +/- 3% van het uurtarief, feitelijk niet hoeft te leiden tot fors hogere maandlasten bij ouders.

Rekenvoorbeelden:
2015
Ik ben een ouder met een kind van één jaar. Het uurtarief van het kinderdagverblijf was in 2015 € 7,00 per uur: ik bracht mijn kind twee dagen naar de opvang, in totaal 86.68 uur per maand. Mijn factuur bedroeg € 606,76 per maand. Mijn partner en ik hadden een inkomen van € 60.000 en op basis hiervan ontving ik maandelijks € 367,- kinderopvangtoeslag.
Mijn maandelijkse eigen bijdrage was in 2015 € 239,76 netto per maand.

 2016
Ons inkomen was iets gestegen (inflatie), net als de prijzen in de supermarkten en de prijs van de kinderopvang. Ons inkomen was in 2016 € 63.000 en het uurtarief van de opvang steeg naar € 7,19 (2.7%) stijging. Voor hetzelfde aantal uur kinderopvang (86,68 uur per maand) kregen we met een hoger inkomen € 389,- terug van de belastingdienst.
Mijn maandelijkse eigen bijdrage was in 2016 € 234,16 netto per maand.

 2017
Ook dit jaar stijgt ons inkomen enigszins, waardoor wij dit jaar € 65.000,– verdienen. Het uurtarief van de opvang is naar € 7,39 (2.7%) gestegen.
Mijn maandelijkse eigen bijdrage is in 2017 € 240,50 netto per maand.

 2018
Dit jaar verwacht ik een inkomensstijging naar € 67.000,-. Mijn partner en ik nemen nog steeds twee dagdelen kinderopvang af (86,68 uur per maand). Door onder meer nieuwe wetgeving, een stijging van de personeelslasten, kwaliteitsverbetering en inflatie voert onze kinderopvanginstelling een noodzakelijke prijsstijging van 4% door. Het nieuwe uurtarief wordt in 2018 € 7,69.
Mijn maandelijkse eigen bijdrage is in 2018 € 251,57 netto per maand.

Een deel van de stijging van de eigen bijdrage in bovenstaand rekenvoorbeeld, is toe te schrijven aan het stijgende inkomen van dit gezin. Bij een inkomensstijging loopt u het risico in een andere belastingschaal terecht te komen, met als gevolg dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag conform uw draagkracht daalt en uw maandelijkse eigen bijdrage netto stijgt. In onderstaande tabel is bovenstaand rekenvoorbeeld nog eens uitgewerkt, maar nu met het uitgangspunt dat het jaarlijkse verzamelinkomen niet stijgt, maar gelijk blijft:

 

* tabel is op basis 2 dagen van 10 uur opvang per week (86,68 uur per maand).

Uit deze tabel volgt dat de eigen bijdrage ten behoeve van de kinderopvang in 2018 met 17,18% is gedaald ten opzichte van 2015. Hoewel het uurtarief van de kinderopvang jaarlijks is gestegen, merkt dit gezin daar niets van in de portemonnee.

Concreet leidt een en ander tot de volgende situatie: ouders betalen in 2018 – op basis van bovengenoemd uurtarief en aantal opvanguren – netto € 2,30 per uur voor kinderopvang. Voor dat bedrag wordt uw kind met liefde en aandacht verzorgd door professionals die u helpen met de ontwikkeling van uw kind.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan ik niet anders dan concluderen dat de negatieve berichtingeving over een stijging van de kinderopvangprijzen enige nuance verdient. Het gemiddelde uurtarief ligt in 2017 volgens de gegevens van BOINK nog binnen het uurtarief dat de Belastingdienst hanteert bij toekenning van de kinderopvangtoeslag, de kwaliteit van de kinderopvang is de laatste jaren gestegen, doorgevoerde prijsstijgingen vinden doorgaans hun grondslag in goede redenen en de netto kosten van de eigen bijdrage zijn voor een gezin met een modaal inkomen veelal gedaald, soms gelijk gebleven en in enkele gevallen minimaal gestegen. Daarbij is een stijging vaak mede het gevolg van een inkomensstijging of keuze voor een flexibeler opvangpakket. Kortom, het glas is half vol en de kinderopvang blijft in 2018 betaalbaar.

Blijf ons volgen om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen binnen de kinderopvang.

Sven Weeda

Ik ben Sven, al meer dan 5 jaar accountmanager bij DebiCare. DebiCare is opgericht in 2006 en heeft als doel en ambitie om voor uw kinderopvanginstelling een overzichtelijke en goed georganiseerde kindadministratie te voeren.DebiCare heeft haar klant… lees verder

Bekijk mijn website

Bekijk alle berichten

Wet IKK: Wat verandert er per 1 januari 2018?

De Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang treedt per 1 januari 2018 in werking. Demissionair minister Lodewijk Asscher heeft voor sommige maatregelen uitstel verleend. Wat gaat er wél veranderen per 1 januari 2018?

Brancheorganisatie Kinderopvang maakte een document met daarin een overzicht van alle maatregelen die per 1 januari 2018 ingaan. Met gebruik van dit document maken wij een beknopt overzicht.

Pijler: De ontwikkeling van het kind staat centraal

Maatregel: Concretisering pedagogische doelen in pedagogisch beleid
In de wet zijn de vier pedagogische doelen van Riksen-Walrave opgenomen als definitie van ‘verantwoorde kinderopvang’. Die pedagogische doelen zijn: het bieden van emotionele veiligheid; het bevorderen van de persoonlijke competentie; het bevorderen van de sociale competentie; de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde normen en waarden. Deze doelen worden in het pedagogisch beleidsplan concreet uitgewerkt en zijn zichtbaar in de praktijk.

Maatregel: Elk kind een mentor 
Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor werkt op de groep waar het kind is geplaatst. Zij volgt de ontwikkeling van het kind, is het eerste aanspreekpunt voor ouders (en in de BSO ook voor het kind).

Maatregel: Structureel volgen ontwikkeling
Pedagogisch medewerkers hebben ieder kind ‘in beeld’ en volgen het in zijn ontwikkeling. Zo kunnen ze aansluiten bij de ontwikkeling van het kind en het stimuleren de volgende stap te zetten. Een kindvolgsysteem is niet verplicht, wel een planmatig volgen en registreren.

Pijler: Veiligheid en gezondheid

Maatregel: Actueel beleid veiligheid en gezondheid
In het beleid worden grote risico’s onderkend en worden maatregelen getroffen. Ook wordt beschreven hoe kinderen geleerd wordt om te gaan met kleine risico’s. Het beleid en het daarbij behorende plan van aanpak wordt ontwikkeld samen met de pedagogisch medewerkers.

Maatregel: Kinder-EHBO
Op iedere kinderopvanglocatie moet tijdens openingsuren altijd minimaal één volwassene aanwezig zijn die beschikt over een gecertificeerd ‘kinder-EHBO’ diploma.

Pijler: Stabiliteit en meer ruimte voor pedagogisch maatwerk

Maatregel: Maximaal twee vaste gezichten voor 0-jarigen 
Aan een kind worden twee vaste pedagogisch medewerkers toegewezen. Op de dagen dat het kind komt, is altijd minimaal één van deze twee pedagogisch medewerkers werkzaam. Voor kinderen met flexibele dagen geldt het ‘vaste gezichten-eis’ niet.

Maatregel: Maximaal drie uur per dag afwijken van BKR 
Bij aaneengesloten openstelling van tien uur of meer per dag kan maximaal drie uur per dag worden afgeweken van de vereiste BKR. Daarbij wordt minimaal de helft van de vereiste BKR ingezet. In het pedagogisch beleidsplan wordt opgenomen op welke tijden wel en op welke tijden niet wordt afgeweken van de BKR.

Maatregel: Inzet anders gekwalificeerden in de bso 
Er wordt een verruiming beoogd van de kwalificaties waarmee je in de bso kunt werken als pedagogisch medewerker. Dat betekent dat de lijst in de Cao (mogelijk) wordt uitgebreid.

Pijler: Kinderopvang is een vak

Maatregel: Niveau 3F voor spreekvaardigheid 
Pedagogisch medewerkers moeten beschikken over niveau 3F voor spreekvaardigheid. Voor de invoering wordt een ruime ingroeiperiode gehanteerd.

Maatregel: Scholing voor pedagogisch medewerkers die werken met 0-jarigen 
Het werken met baby’s vraagt om specifieke expertise. Pedagogisch medewerkers die met baby’s werken, moeten hiervoor aanvullende scholing krijgen.

Maatregel: Taaleisen meertalige opvang 
Ook aan het taalniveau van niet-Nederlands sprekende pedagogisch medewerkers in de meertalige opvang (Engels, Frans, Duits) worden eisen gesteld. Dit wordt uitgewerkt in de Ministeriële regeling.

Maatregel: Geen formatieve inzet vrijwilligers 
Vrijwilligers mogen niet langer formatief worden ingezet. Ze tellen dus niet mee in de berekening voor de BKR.

Maatregel: Opleidingsplan 
In het opleidingsplan moet worden beschreven hoe wordt ingezet op de ontwikkeling en kennisverbreding van pedagogisch medewerkers, en hoe dit wordt geconcretiseerd in de praktijk.

Maatregel: Beperkte formatieve inzet BBL’ers en stagiaires 
Bij formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding (BBL’ers / BOL-stagiaires) wordt rekening gehouden met de opleidingsfase. De Ministeriële regeling zal (waarschijnlijk) naar de Cao verwijzen om dit verder uit te werken, maar wel als restrictie stellen dat maximaal 33% van de formatief benodigde inzet uit beroepskrachten in opleiding mag bestaan.

Maatregel: Permanente educatie 
Om de ontwikkeling van pedagogisch medewerkers te stimuleren, wordt gestreefd naar een landelijk systeem van permanente educatie. Deze maatregel uit het akkoord IKK is niet opgenomen in de AMvB of in de Ministeriële regeling. Het is belegd bij Cao-partijen.

Overige maatregelen

Zoals eerder genoemd, wordt een aantal maatregelen per 1 januari 2019 van kracht.

Dat gaat om:
a. Wijzigingen in de BKR: 0-jarigen 1 : 3, 7-13 jarigen 1 : 12, 4-13 jarigen 1 : 11
b. Pilots Innovatieve opvang
c. Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voor beleidsontwikkeling en coaching pedagogisch medewerkers (kwalificatie-eisen worden in de Cao geregeld).

Lees hier het volledige document inclusief actiepunten van de BK >>

Bron: kinderopvang totaal

‘Investeer in het groepsgevoel’

De groepsbezetting verandert continu, zowel wat de kinderen als pedagogisch medewerkers betreft. Maar daarom is het juist belangrijk om te investeren in het groepsgevoel. Dit ontdekte Mireille Aarts, pedagoog bij KION in haar promotieonderzoek Group Functioning in Child Care Centers. Maar hoe doe je dat?

Hoe langer de kinderen bij elkaar in de groep zaten, des te meer ze in elkaar geïnteresseerd waren en samenspeelden. – Foto: Fotolia

Aarts filmde voor haar promotieonderzoek interacties tussen kinderen en groepsmomenten op dertig verticale en veertien peutergroepen. ‘Ik filmde gedurende de hele dag vrij spel en wachtmomenten’, vertelt Aarts. Al met al was ze, naast haar werk bij KION, tien jaar met het onderzoek bezig aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze werd begeleid door professor Marianne Riksen-Walraven.

Positief gedrag

Aarts keek naar de sfeer in de groep, of kinderen belangstelling hadden voor elkaar, of ze elkaar opzochten om samen te spelen, naar elkaar keken, elkaar hielpen en of er conflicten waren. Dit positieve gedrag waarin kinderen sociaal bij elkaar betrokken zijn, zag ze meer terug in groepen met oudere kinderen en in kleinere groepen. Hoe langer de kinderen bij elkaar in de groep zaten, des te meer ze in elkaar geïnteresseerd waren en samenspeelden.

Groepsgevoel stimuleren

Ondanks de steeds wisselende samenstelling van de groep, zijn er genoeg momenten waarop pedagogisch medewerkers dat zo belangrijke groepsgevoel kunnen stimuleren, vindt Aarts. ‘Bij de ontvangst kun je de groep bijvoorbeeld vertellen dat Mark er weer is. Kinderen reageren daarop en heten hem welkom. Dat geeft Mark een fijn gevoel.’
Uit het onderzoek van Aarts blijkt dat pm’ers wel investeerden in hun interactie met kinderen, maar veel minder in contacten tussen kinderen. Dit is een bevestiging van wat eerdere kwaliteitsonderzoeken in de kinderopvang hebben aangetoond.

Interactie stimuleren

Door de camera zag Mireille Aarts soms dat kansen onbenut bleven. ‘Dan banjerden pedagogisch medewerkers dwars door contacten tussen kinderen heen.’ Of pm’ers bemoeiden zich met een gesprek tussen twee kinderen. ‘Met alle goede bedoelingen, maar ze namen het gesprek dan over, terwijl dat eigenlijk niet nodig was.’ Verder laten pm’ers vaak momenten liggen waarop ze de onderlinge interacties tussen kinderen juist kunnen stimuleren. Aarts: ‘Heeft Kim hulp nodig bij een activiteit? Bied het dan niet zelf aan, maar vraag een ander kind of hij of zij haar kan helpen.’ Pm’ers kunnen kinderen ook veel vaker gezamenlijke opdrachten meegeven. Op die manier kun je kinderen een extra zetje in de rug geven om iets samen te doen.

Belangrijke taak

Want als er iets is wat Aarts heeft geleerd van haar onderzoek is dat het helpt om contacten tussen kinderen in een groep te stimuleren. ‘Hier ligt voor jou als pedagogisch medewerker een belangrijke taak.’ Hoewel een groepsgevoel voor alle kinderen waardevol is, zag Aarts dat vooral kinderen die van zichzelf wat angstig en teruggetrokken zijn, extra gebaat zijn bij een goede sfeer in de groep.

Lees hier een korte Engelstalige samenvatting van haar onderzoek

Kinderen vanaf 3 jaar zijn al heel goed in staat om hun gedrag aan te passen aan een leeftijdsgenootje. Hoe meer prosociale gedragingen het ene kind vertoonde, hoe meer prosociaal zijn speelkameraadje was. Dit bleek onlangs uit promotieonderzoek van Hinke Endedijk aan de Radboud Universiteit. Lees meer

Marianne Velsink

Originele bericht: https://www.kinderopvangtotaal.nl/Kinderdagverblijven/Actueel/2017/4/Investeer-in-het-groepsgevoel/

GGD wil ook dat gastouderopvang veiliger wordt

GGD wil ook dat gastouderopvang veiliger wordt

Gastouderopvang is in de regel veilige opvang, maar brengt ook risico’s met zich mee omdat er minder zicht is op wat er zich allemaal afspeelt. Net als veel andere organisaties wil GGD GHOR Nederland dat de kwaliteit en het toezicht op gastouderopvang verbeterd wordt. Dit laat de organisatie in een reactie aan Kinderopvangtotaal weten.

De gastouderopvang ligt onder een vergrootglas sinds onderzoekers van PricewaterhouseCoopers gastouderopvang een risicovolle vorm van kinderopvang noemden. Zij deden in opdracht van minister Asscher onderzoek naar de kinderopvang vijf jaar na de aanbevelingen van de commissie Gunning na de Amsterdamse zedenzaak. Hoewel gastouderopvang geen deel uitmaakte van dit onderzoek, wilde de onderzoekers toch kwijt dat gastouderopvang in de huidige vorm geen veilige opvang is. Dat komt volgens de onderzoekers vooral door het gebrek aan toezicht en het feit dat gastouders alleen opereren.

Vertekend beeld

Even later besteedde het SBS-programma Undercover in Nederland aandacht aan een gastouderopvang in Heerhugowaard wiens partner in het bezit bleek van kinderporno. De man werd in de uitzending ontmaskerd. Hubèr Agterberg van het Platform Gastouderopvang reageerde kritisch op deze tv-uitzending. Volgens hem gaf het namelijk een vertekend beeld van gastouderopvang en was een deel van de genoemde overtredingen helemaal geen overtreding.

Gastouderbureau

GGD GHOR Nederland vindt ook dat gastouderopvang risico’s met zich meebrengt, ‘omdat er minder controle is vanuit de beroepsgroep, er minder professionals aanwezig zijn tijdens de opvang en er dus minder zicht is op wat er zich allemaal afspeelt’. Ook ziet de organisatie dat er nog wel wat te verbeteren valt in de samenwerking tussen gastouder en gastouderbureau. ‘GGD GHOR Nederland vindt dat de gastouder in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de opvang. Maar het gastouderbureau moet veiligheid en gezondheid waarborgen. GGD GHOR Nederland zou graag zien dat het gastouderbureau vaker onaangekondigd een bezoekje brengt aan gastouders om de feitelijke opvangsituatie aan te treffen’, aldus een GGD-woordvoerder.

Het vergroten van kwaliteit en veiligheid staat ook op de agenda van het project Kwaliteitsbevordering gastouderopvang van het ministerie van Sociale Zaken. GGD GHOR Nederland is betrokken bij dit project. Lees meer

Toezicht gastouderopvang

De organisatie wil vanwege de ontstane onrust laten zien wat het allemaal wel doet aan toezicht op de gastouderopvang. Zo is er voordat een gastouder geregistreerd wordt in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) een toetsing op o.a. diploma’s, de VOG en het EHBO-certificaat. Ook wordt gekeken of de gastouder de visie en de normen en waarden van het gastouderbureau kan uitdragen. Daarnaast wordt de opvangruimte van een nieuwe gastouder bekeken en ook of er voldoende geschikt speelgoed aanwezig is voor de kinderen en of gezondheidsrisico’s goed zijn geschat.

Platform Gastouderopvang

GGD GHOR Nederland reageert verder nog specifiek op uitspraken van Agterberg van Platform Gastouderopvang. De GGD spreekt tegen dat de meeste onderzoeken worden uitgevoerd bij gastouders waar helemaal geen opvang plaatsvindt. Wat wel zo is, is dat na registratie maar een beperkt deel van de gastouders onderzocht wordt. Ook weerlegt de GGD de uitspraak dat het aanbieden van gastouderopvang voor registratie is toegestaan zolang er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd.

Auteur: Marianne Velsink

Origineel bericht: https://www.kinderopvangtotaal.nl/Management/Actueel/2017/3/GGD-wil-ook-dat-gastouderopvang-veiliger-wordt/

‘Bezuinigingen achterstandsgeld historische fout’

‘Bezuinigingen achterstandsgeld historische fout’

Gemeenten, branchepartijen in het onderwijs en de kinderopvang sturen een brandbrief naar de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het kabinet wil volgend jaar 65 miljoen euro korten op het onderwijsachterstandenbeleid en daarnaast het geld anders over gemeenten verdelen. De briefschrijvers spreken van een ‘historische fout’ als deze plannen doorgaan.

De afgelopen jaren is er, met name in grote en middelgrote gemeente, geïnvesteerd in een beter bereik van kinderen met een (taal)achterstand en de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Dit geld ging via gemeenten naar voorscholen (peuterspeelzalen en kinderdagverblijven) en het primair onderwijs. Onderzoek van de Onderwijsinspectie toonde eerder deze week nog aan dat het bereik van peuters enorm is toegenomen en dat de kwaliteit van VVE is verbeterd in deze gemeenten.

Tweedeling

Dat betekent niet dat de missie daarmee geslaagd is, vinden de branchepartijen en gemeenten. Want de Onderwijsinspectie geeft ook aan dat er nog werk aan de winkel is om de toenemende tweedeling in de maatschappij te keren. Het rapport ‘Gelijk goed van start’ van de SER wordt ook in de kinderopvang vaak aangehaald om aan te tonen dat het gericht investeren in voorzieningen van jonge kinderen zin heeft. In juli 2016 pleitte de studiegroep Duurzame groei voor meer investeringen in de kwaliteit van de voorzieningen voor het jonge kind.

Verdeling OAB-middelen

Als het aan het kabinet ligt wordt er in 2018 65 miljoen euro gekort op het budget voor gemeenten en schoolbesturen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeenten krijgen 40 miljoen euro minder en scholen nog eens 25 miljoen euro minder. Verder is het de bedoeling dat het geld anders over gemeenten wordt verdeeld. Volgens een rapport van het CBS zijn de gevolgen van deze verschuiving enorm. Kleine gemeenten krijgen meer geld te besteden, maar de 37 grootste zien hun budget fors afnemen. Het CBS zag dat als de indicaties voor het voorspellen van achterstanden van kinderen verbeteren, er twee keer zo veel kinderen in aanmerking komen voor een achterstandenbudget dan waar het kabinet nu van uitgaat.

Gelijke kansen

De branchepartijen PO-Raad, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, Brancheorganisatie Kinderopvang, Sociaal Werk Nederland, Algemene Vereniging Schoolleiders, ouderverenigingen BOinK  en Ouders&Onderwijs en de VNG en wethouder Hugo de Jonge namens de gemeente Rotterdam willen dat het kabinet daarom terugkomt op de beslissing om te korten. ‘Kinderen in Nederland verdienen gelijke kansen, in álle gemeenten. Dat betekent: bouwen in de kleine gemeenten, niets afbreken in de grote gemeenten. Niet mínder investeren, maar méér. Niet korten op het budget, maar extra investeren. De ondertekenaars van deze brief willen zich gezamenlijk inzetten om een kwalitatief sterk voorschools aanbod in alle gemeenten mogelijk te maken, in lijn met het SER-advies.’

Afbraak

Het scenario dat zich nu aandient houdt in dat gemeente, scholen en voorschoolse voorzieningen met minder middelen meer dan twee keer meer kinderen moeten ondersteunen. ‘Onmogelijk en onbegrijpelijk, schrijven de partijen. ‘Zo wordt afgebroken wat de afgelopen jaren is opgebouwd.’ De partijen zetten de consequenties van de plannen nog even op een rij:

  • Het aantal plaatsen op de voorschool neemt af, waardoor er voor duizenden kinderen geen plek meer is.
  • In de grote gemeenten ontstaat opnieuw een gesegregeerde voorschoolse voorziening, waar alleen peuters met een achterstand terecht kunnen.
  • De kwaliteit van deze voorzieningen neemt af, door minder investeringen in de kwaliteit van het personeel, inzet van minder hoogopgeleid personeel en minder uren voorschool voor de achterstandspeuters.
  • Vroegschoolse educatie, schakelklassen en leertijduitbreiding in het primair onderwijs moeten worden stopgezet.
  • Klassen worden groter en de tijd voor extra begeleiding neemt af.
  • De werkgelegenheid in de voorschoolse sector en het onderwijs neemt drastisch af en de werkdruk neemt toe.

Marianne Velsink
Bron: https://www.kinderopvangtotaal.nl/Management/Actueel/2017/2/Bezuinigingen-onderwijsachterstandsgeld-historische-fout/

7000 nieuwe banen erbij in de kinderopvang

De brancheorganisatie Kinderopvang verwacht dat er door het extra geld dat het kabinet voor de kinderopvang uittrekt 7000 banen bij komen. De sector liet dat uitrekenen door Ed Buitenhek, van adviesbureau Buitenhek.
Buitenhek gaat ervan uit dat weer veel meer ouders van kinderopvang gebruik gaan maken, en dat ook het aantal uren dat ouders kinderen in de opvang doen gaat stijgen. Wel waarschuwt hij dat het effect pas op termijn in volle omvang zal optreden. ”Ouders kiezen vaak als een baby geboren wordt voor een bepaalde opvangvorm en veranderen dat niet zomaar als een kind één of twee jaar oud is”, zegt hij. Daarom verwacht hij dat de sector pas geleidelijk zal profiteren van het extra geld. De brancheorganisatie zegt dat met de maatregel een stap wordt gezet in de richting van een gelijke verdeling van de kosten van kinderopvang tussen ouders, overheid en werkgevers.

1000 banen

Tussen 2008 en 2013 waren ouders een steeds groter aandeel van de kosten gaan dragen en was de uitval in de opvang fors. In de sector verdwenen hierdoor tienduizenden banen.
Door die vraaguitval hield het kabinet de laatste jaren ook meevallers op de kinderopvang over. Dat geld wordt voor een groot deel nu weer gebruikt om de toeslag te verhogen.

Gebruik kinderopvangtoeslag verder gedaald

Het aantal mensen dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag is in 2014 opnieuw gedaald. Vorig jaar kregen 491.000 ouders of verzorgers kinderopvangtoeslag voor hun zoon of dochter. In de topjaren 2011 en 2012 waren dat er nog 530.000.